Medewerker van de maand (juni 2021): Ellen Söderblom Saarela

We’re delighted to introduce oOur staff member of the month, Ellen Söderblom Saarela. She arrived in Ghent from Sweden just before the covid lockdown, but has already made her impact felt in the Novel Echoes research group. We asked her about the conference she just organized, her experience living in Belgium, and on learning Dutch.

Hi Ellen, you’re one of the postdoctoral researchers in the Novel Echoes ERC project, coordinated by Professor Koen De Temmerman. For those people who don’t know the project, could you give us a little bit of information about it, and explain your role in the project? What is the focus of your research?

Overall, the Novel Echoes project investigates the receptions of ancient novels in late antique and medieval literature. My focus is on novelistic influences on western vernacular romances in the Middle Ages. I focus on Old French romances from the twelfth century: I examine how the ancient novel works as a potential influence on these texts, along with other ancient and medieval influences. What I find particularly fascinating is how love is narrated, if reciprocity is represented, and if so, how this reciprocity could be understood from an intertextual perspective.

I study the Old French romance in relation to the Byzantine novel from the same century. In the West and in Byzantium, both men and women took part in the literary audiences where the novels and romances were read. Can we see this represented in the texts themselves? Whose perspective is told? How can a female voice, and representations of female subjectivity, be traced in premodern literature? What do the medieval texts do with the ancient tradition to which they respond in their own narratives? These are some questions I study in my research.

You started working at UGent about a year ago. Any highlights or – dare I say it – regrets?

I have to say, it has been a strange year! But this is not due to UGent, but the pandemic and lockdowns, of course. But aren’t we all tired of dwelling on this? I know I am! (Although, I must say that now, as things slowly open up again, I realize in a new way what an incredibly strange time we’ve all been living through? Oh, how I need people, and to socialize, in my life!)

I had no experience of Belgium before coming to Ghent for my job interview in 2019, so, during this time I’ve come to know a, to me, new place. Having pretty much stayed put throughout the Covid age, I’ve had the occasion to see many parts of the country, and cities. In all its worrisome strangeness which marks this period, it’s been quite lovely to travel locally. Coming from a country with much bigger distances between cities, I’ve been amazed at how nature shifts dramatically from one region to the other, without having to travel that far. As far as UGent is concerned, I’ve had nothing but good experiences; everyone has been very helpful, not least the library, which of course has made all the difference. Throughout the times of social distancing and lockdowns, the project colleagues have kept contact regularly through informal meetings, reading groups,  and walks outside when it was allowed.

How can a female voice, and representations of female subjectivity, be traced in premodern literature? What do the medieval texts do with the ancient tradition to which they respond in their own narratives? These are some questions I study in my research.

You co-organized your first project conference this month with Tine Scheijnen on Enchanted Reception. How did you find the online format?

As we organized the conference, we hoped for a long time that perhaps we could have it in person, or at least in a hybrid version, with participation either in person or online. However, as the situation developed we realized that this wouldn’t be possible, and so we coordinated the conference completely online. I wish we could have met in person and discuss papers in a physical room, as I really miss this part of the academic work. Yet, it did work out well anyway: we had a meeting with the participants a few days before the conference, in which we got introduced to one another; we also wanted to have plenty of space in the programme to encourage discussions, which I believe made it easier to interact in the online format.

Adding to that, we had a virtual reception in an informal, Troy themed space (since the conference was about medieval receptions of Troy narratives…), which gave speakers and listeners a chance to interact beyond the scheduled discussions in the programme. I feel that, at the end of the day, the online format worked out really well for our conference; there were many engaging discussions and a friendly environment. It was also nice to bring people together who are based all over the world: with speakers from different parts of the US, Chile, and different European countries, and with listeners from all over the world as well. Although I would have loved to meet everyone in person, of course, I feel tremendously happy about how the conference turned out.

And finally, because we’re all in need of some positive perspective… What are your summer plans?

I’m currently exploring the country side of the Ghent region, biking alongside the fields, cows, sheep, and horses. It’s lovely. Other than that, I’m longing for my mother to come visit me this summer, and later on take a road trip to see my father who lives in Seskarö, a Swedish island up north, not far from the Finnish border. Later, I can’t wait to learn Dutch as soon as classes are given at campus again in the fall! It would be lovely to be able to read a novel in Dutch….

Veel geluk ermee, Ellen!

Medewerker van de maand (januari 2021): Ilse De Vos

Onze #medewerkervandemaand is deze maand dr. Ilse De Vos, geliefd door onze studenten als taallector Griekse Taalkunde en door haar collega’s daarenboven ook als onderzoekscoördinator van het DBBE-project en coördinator LevensLang Leren. Hoe combineer je drie jobs én twee kleuters? Het antwoord vind je hieronder!

Dag Ilse! In je functies als taallector en projectcoördinator van DBBE ben je al jaren een spilfiguur binnen onze Afdeling. Wat trok je eerst aan in een studie Oudgrieks? 

Ilse: Goh. Ik heb in het middelbaar nooit Grieks gevolgd, dus het was best wel stoer van mij om voor de opleiding Taal- en Letterkunde: Latijn & Grieks (toen nog een verplichte combinatie) te gaan. Ergens halfweg het zesde middelbaar gaf de leraar Nederlands een paar lesjes historisch taalkunde. Ik was meteen verkocht. Dat je ook op een “wiskundige” manier met taal kan omgaan, dat was een echte eye-opener voor mij. Mijn leraar Latijn wond er nochtans geen doekjes om: “Dat gaat nooit lukken!” Tja, dat moet je mij geen twee keer zeggen. Misschien was het omgekeerde psychologie, bedenk ik nu. Als mr. t’Kint toevallig meeleest, mag hij het mij altijd laten weten. 

Het allerplezantste vind ik het leren van nieuwe talen, de ene (Oudslavisch) al relevanter voor mijn vakgebied dan de andere

(Gotisch, laat staan Deens). Volgende op de lijst is Portugees.

Heb je die passie voor ons vakgebied nog steeds? Wat boeit je het meest?

Ilse: Ik ben nog een even trotse nerd als toen, ja. Al ben ik toch altijd wat beschroomd om mezelf classica te noemen. Veel van onze studenten geven aan dat ze voor Grieks gekozen hebben uit fascinatie voor de mythen. Zelf heb ik er maar weinig mee. (Tenzij ze onderwerp vormen van prentenboeken, dan ga ik meteen voor de bijl.) De taal zelf, daar is het mij vooral om te doen. Orde scheppen in de chaos, zoiets. Als kind al sorteerde ik liever mijn speelgoed dan er echt mee te spelen. Dat verklaart misschien veel … Het allerplezantste vind ik het leren van nieuwe talen, de ene (Oudslavisch) al relevanter voor mijn vakgebied dan de andere (Gotisch, laat staan Deens). Volgende op de lijst is Portugees. Spijtig dat je dat niet kan opnemen als keuzevak in de lerarenopleiding, die ik dit academiejaar écht wel moet afwerken. Nu ja, “leerpsychologie” klinkt ook best cool.

Sinds vorige zomer werk je ook als coördinator Levenslang Leren voor de Faculteit Letteren en Wijsbegeerte. 

Ilse: Klopt! 

Klinkt fascinerend! 

Ilse: Ab-so-luut.

Wat houdt deze functie precies in? 

Ilse: Levenslang Leren is voor mij een continuüm, met “hardcore” postgraduaten (Computer-Assisted Language Mediation, hoe zot is dat?!) aan de ene kant en outreach activiteiten (de workshops bijvoorbeeld waarmee onze Afdeling naar scholen trekt) aan de andere kant. Ik ben nog volop aan het ontdekken wat er allemaal gebeurt aan onze faculteit. Concreet betekent dat veel (helaas digitale) koffietjes drinken, om te horen wat de noden zijn. Ik speel ook graag van koppelaar. Collega’s samen een nascholing laten organiseren in plaats van elk apart, ik word daar oprecht gelukkig van. Ik beperk mij daarbij niet tot onze eigen faculteit. Met een collega van de lerarenopleiding Wiskunde zijn we aan het bekijken hoe we onze Archimedes workshop kunnen inzetten in de derde graad, in klassen die geen Grieks (meer) hebben en die we dus momenteel niet bereiken.

Hoe vind je het om deze functie te combineren met je werk voor de afdeling Grieks?

Ilse: Mijn metekindje Eline Daveloose heeft mij als nieuwjaarscadeau 48 uur in een dag gegeven, omdat het bij momenten echt belachelijk druk is. Toch zie ik het vooral als een voorrecht om deze nieuwe job te mogen combineren met een lesopdracht en een kleine aanstelling op een onderzoeksproject. Ik hoor zo’n beetje overal bij, wat het veel makkelijker maakt om bruggen te slaan. Deze zomer ging er trouwens echt een nieuwe wereld voor mij open. Ik wist natuurlijk wel dat de kco.lw@ugent.be mails niet door robots uitgestuurd worden, maar ik had niet kunnen bevroeden dat de ongeëvenaarde Veerle Rotsaert en Veronique Christophe erachter zitten. De anonieme e-mailadressen zijn tot leven gekomen, zeg maar. 

Het DBBE team waar je al enkele jaren deel van uitmaakt, heeft net een nieuw project binnengehaald. Fantastisch nieuws! 

Ilse: Geweldig nieuws, inderdaad. Het is een droom om nog eens vijf jaar te mogen meedraaien in dit topteam, waar nu ook taaltechnologen en – jawel! – computerwetenschappers aan toegevoegd worden. Eens nerd, altijd nerd. 

Wat is je favoriete epigram dat je al bent tegengekomen?

Ilse: Ik heb het nogal voor de nederige epigrammen in ons corpus, de (min of meer) persoonlijke boodschappen waar scribenten hun manuscript mee plegen af te sluiten. Zo herinneren ze hun lezers er al eens aan dat er een strenge straf staat op het vandaliseren van boeken. In 2009 kreeg een man in het Verenigd Koninkrijk precies om die reden twee jaar celstraf. Te zijner verdediging, DBBE was toen nog niet online … 

Moeder worden heeft van mij zeker en vast een betere lesgever gemaakt.

Niet alleen ben je superacademica, maar ook supermama van twee kleuters! 

Ilse: Wow. Ik ga ervan blozen!

Heb je advies voor de volgende generatie over het absoluut niet vanzelfsprekende combineren van deze twee fulltime taken?

Ilse: Het is zeker geen evidente combinatie, nee. Lesgeven met een baby in de draagdoek? Check. Schattig? Zeker. Al is die baby natuurlijk gewoon te ziek om naar de crèche te gaan, maar (nog) net niet ziek genoeg om je les te cancelen. Op zo’n momenten wordt pijnlijk duidelijk hoe weinig rolmodellen er zijn voor jonge moeders aan de universiteit. Ik ben blij dat ik een een paar jaar in het Verenigd Koninkrijk heb meegedraaid, waar de situatie (toch op dat vlak) iets beter is. Daar trek ik me dan aan op. Al is het niet allemaal kommer en kwel. Moeder worden heeft van mij zeker en vast een betere lesgever gemaakt. Omgekeerd geldt hetzelfde, zo bewijst dit klunzige filmpje over de oorsprong van ons alfabet dat ik samen met Isabelle de Meyer gemaakt heb voor mijn zoontje en zijn klasgenootjes. No pressure!

Medewerker van de maand (november 2020): Kristoffel Demoen

Onze #medewerkervandemaand is niemand minder dan Kristoffel Demoen, professor Griekse Letterkunde en bekend gezicht voor velen. Als onderwijsdirecteur van onze faculteit is hij op fundamentele wijze betrokken bij onderwijs, een van de maatschappelijke pijlers waarvan de huidige crisis het grote belang nog maar eens bevestigt én waarbij het zoeken naar de balans tussen virus en normaliteit daardoor niet eenvoudig blijkt. Benieuwd hoe het hem vergaat in deze ongewone tijden? We vroegen het hem via digitale (en dus coronaveilige) wegen.

Corona blijft lelijk huishouden, en dat treft helaas ook onze afdeling. We zijn met z’n allen opnieuw gaan thuiswerken en moeten contact houden met collega’s via digitale kanalen. Hoe ervaar jij die aanpassing?

Kristoffel: Tja, de aanpassing kwam deze keer niet onverwacht, en sinds de eerste lockdown weten we wat het is om online les te geven, via Teams te vergaderen, op scherm te spreken met studenten en collega’s. Het is allemaal verre van ideaal natuurlijk, en vooral de informele ontmoetingen met elkaar vind ik een groot gemis. Toch denk ik wel dat we professioneel gesproken ook nieuwe mogelijkheden hebben ontdekt. Videobellen wordt een blijver bijvoorbeeld, ook met studenten.

Je bent sinds 2018 onderwijsdirecteur van de faculteit Letteren en Wijsbegeerte. Toen je aan die opdracht begon, had je allicht niet kunnen denken welke uitdagingen op je pad zouden komen…

Kristoffel: Voor mezelf moet ik een onderscheid maken tussen de impact van corona op het privéleven, op mijn activiteiten als Hellenist (in onderwijs, onderzoek, binnen de afdeling) en op mijn functie als onderwijsdirecteur. Zoals vele mensen mis ik de uitjes naar concert of theater, bezoek van vrienden en familie, een weekend weg – maar tegelijk brengt de gedwongen pauze ook een soort rust. Ik heb het geluk dat ik in een levensfase zit die gunstig is voor thuiswerk, en dat Covid in mijn directe omgeving nog geen slachtoffers heeft gemaakt. Mijn lessen zijn, denk ik, relatief vlot verlopen, zowel in de hybride setting van code oranje (met studenten thuis én in de leszaal) als helemaal online. Van de collega’s Grieks, en van vele anderen in de faculteit, hoor en zie ik dat ze grote inspanningen doen om de studenten niet aan hun lot over te laten. Maar het is lastig, voor lesgevers en voor studenten. Dat merk ik vooral als onderwijsdirecteur. We hebben de voorbije twee maanden voortdurend moeten omschakelen binnen de zogenaamde pandemiematrix. Dat heeft, opnieuw, veel flexibiliteit, creativiteit en weerbaarheid gevraagd van de hele universitaire gemeenschap. Niet iedereen kan dat nog opbrengen, en ik vrees dat er nu meer collega’s en studenten mentaal of fysiek afhaken dan in de eerste lockdown. Maar ik hoor ook vele mooie verhalen hoor. Toevallig sprak ik net voor dit interview met ouders van studenten taal- en letterkunde, die hun bewondering en dankbaarheid uitspraken over hoe onze universiteit en onze lesgevers deze crisis aanpakken. Dat doet plezier.

Het is allemaal verre van ideaal natuurlijk, en vooral de informele ontmoetingen met elkaar vind ik een groot gemis. Toch denk ik wel dat we professioneel gesproken ook nieuwe mogelijkheden hebben ontdekt.

Als onderwijsdirecteur sta je natuurlijk op een sleutelpositie, wat, zo kan ik me voorstellen, heel eigen moeilijkheden met zich meebrengt in deze ongewone tijden. Wat is de lastigste beslissing die je tot hiertoe moest nemen?

Kristoffel: Daar kan ik niet concreet op antwoorden. De lastigste beslissingen zijn die waar individuele personen bij betrokken zijn, en dat vraagt natuurlijk om discretie. Daar kan ik echt van wakker liggen (maar gelukkig enkel spreekwoordelijk dan, ik ben een instant-inslaapvaller). Beslissingen neem je als onderwijsdirecteur trouwens zelden alleen. Meestal ben je slechts een radertje in de machine; de beslissingen met de grootste impact (bijvoorbeeld in deze coronatijden) worden op een hoger niveau genomen, en die moet je dan zo goed en zo kwaad mogelijk (laten) uitvoeren. En voor moeilijke beslissingen binnen de faculteit is er het vijfkoppige faculteitsbestuur. De samenwerking met de decaan en de andere leden van dat bestuur is één van de prettige aspecten van deze functie. Hetzelfde geldt trouwens voor de dienst onderwijsondersteuning van de faculteit, een groep fijne en competente medewerkers.

We gaan het natuurlijk ook over leuke dingen hebben: ‘proficiat’ is namelijk aan de orde! En dat naar aanleiding van de recente goedkeuring van een meerjarig onderzoeksproject binnen de Database of Byzantine Book Epigrams (DBBE), de onderzoeksgroep waarvan je al jaren aan het roer staat. Hoe was het om die aanvraag voor te bereiden (en binnen te halen!) in tijden van crisis?

Kristoffel: Dank je! Ja, ook vreemd. De procedure voor de aanvraag van een GOA (“Geconcerteerde Onderzoeksactie”) bij het Onderzoeksfonds bestaat uit twee stappen. De zogenaamde intentieverklaring moest ingediend worden in december vorig jaar. Toen zaten Floris (Bernard), Ilse (De Vos) en ikzelf tegen de deadline te werken op de Blandijn, op adrenaline, frieten en cola, ondertussen bellend en mailend met de collega-aanvragers. Dat zijn collega’s Grieks Mark (Janse) en Klaas (Bentein), en collega’s uit de geschiedenis (Els De Paermentier), de toegepaste taalkunde (Els Lefever) en de computerwetenschappen (Guy De Tré). Maar voor de tweede ronde hebben we alles online moeten doen. We hebben elkaar met het hele team in 2020 maar één keer gezien, voor de try-out van de presentatie van het project voor de Onderzoeksraad eind september. Maar sindsdien ligt de champagne te wachten tot we eindelijk nog eens met het hele team kunnen samenkomen.

We gaan uitzoeken wat nieuwe technologieën kunnen bijbrengen voor de exploratie en analyse van Byzantijnse epigrammen en manuscripten, en omgekeerd. Ik ben echt benieuwd naar de samenwerking met de specialisten in NLP (natural language processing) en grafendatabanken.

Kan je ons al iets verklappen over de wetenschappelijke wegen die DBBE inslaat met dit nieuwe project?

Kristoffel: We willen blijven inzetten op de uitbouw van ons unieke corpus boekepigrammen, waaraan we nu al 10 jaar werken met een fantastisch team. Er komen daarnaast ook vier doctoraatsprojecten, die we zullen laten starten na corona. Twee ervan liggen binnen onze comfortzone (manuscriptstudie en taalkunde), de andere twee verkennen onbekender terrein, zeker voor mij. We gaan uitzoeken wat nieuwe technologieën kunnen bijbrengen voor de exploratie en analyse van Byzantijnse epigrammen en manuscripten, en omgekeerd. Ik ben echt benieuwd naar de samenwerking met de specialisten in NLP (natural language processing) en grafendatabanken.

Tot slot: wat doe jij tijdens het weekend in deze tweede lockdown? Heb je ultieme tips om te delen?

Kristoffel: Vloeken op corona omdat ik buiten de eigen bubbel niemand mag vastpakken. Verder niets spectaculairs. Meer dan anders: wandelen en fietsen, lezen en een serietje kijken, musiceren, klussen en koken. Recente ontdekkingen: het Bruinbos en omgeving (Merelbeke), Fauda (Netflix – als je een sterke maag hebt), lamsstoofvlees met kweeperen (en harissa – als je een sterke maag hebt).

Een sterke maag, die zal je ook nodig hebben wanneer die champagne eindelijk gekraakt mag worden. We duimen met z’n allen dat dit moment snel mag komen!

Medewerker van de maand (juli 2020): Gunnar De Boel

Het is een bijzondere zomervakantie voor prof. dr. Gunnar De Boel: na meer dan dertig jaar bij onze afdeling gaat hij volgend academiejaar op emeritaat. Daarom is hij onze #medewerkervandemaand juli.

 

Hoewel je doctoraat over Oudgriekse taalkunde ging, ben je tegenwoordig een van de grote specialisten van Nieuwgriekse letterkunde; hoe verklaar je deze ommezwaai?

Ik heb dat persoonlijk nooit als een ommezwaai ervaren. Ik heb altijd met veel plezier ook letterkunde gelezen, met altijd wel een bijzondere taalkundige belangstelling voor de manier waarop een gedachte precies uitgedrukt wordt en de samenhang van een tekst vorm krijgt. En aangezien, zoals de dichter zegt, Τη γλώσσα μου έδωσαν ελληνική / το σπίτι φτωχικό στις αμμουδιές του Ομήρου (‘Ze gaven me de Griekse taal / een armoedig huis op de kusten van Homerus’), lag het voor de hand ook de Nieuwgriekse literatuur te lezen (het citaat komt uit ‘Το Άξιον Εστί’ van Odysseas Elytis – nvdr). En als je iets bestudeert, moet je het goed doen.

Je bent al enkele jaren bezig met de Nederlandse vertaling van het boek ‘Ο ήρωας της Γάνδης’ van Νίκος Καχτίτσης. Je boek is echter meer dan een vertaling alleen: zo heb je ook heel veel onderzoek gedaan naar de auteur en de onderliggende motieven. Als ik het me goed herinner heb je zo bijvoorbeeld zelfs een bezoekje gebracht aan zijn familie in Griekenland. Wil je wat meer vertellen over de onderliggende intriges of moet dat nog geheim blijven?

Kachtitsis is een intrigerende auteur. Hij is met de grote emigratiegolf na de burgeroorlog eerst naar Kameroen getrokken, en heeft zich vervolgens definitief in Canada gevestigd. Enkel op het laatste ogenblik, toen hij al ongeneeslijk ziek was, is hij naar zijn vaderland teruggekeerd om daar in 1970, nu net 50 jaar geleden, op 44-jarige leeftijd te sterven. Ik heb zijn echtgenote en zijn zoon in Montréal bezocht in 2009, in het huis waar hij nog zelf gewoond had, en heb daar zijn bibliotheek bestudeerd. Hij was een heel belezen man, die naast Grieks ook vlot Engels en Frans sprak en las. Onze Gentse Maeterlinck was, naast oudere auteurs als E.T.A. Hoffmann en Edgar Allan Poe, een van de hoofdinspiratiebronnen voor zijn “De held van Gent”, die op een aantal punten als voorloper van Paul Austers “New York Trilogy” kan beschouwd worden. Meer zal inderdaad duidelijk worden bij de eigenlijke lectuur!

Vanaf wanneer zullen we je boek kunnen kopen en lezen?

Het boek zou nu, na de coronaperikelen en de afgelastingen van symposia en festiviteiten, toch eind april voor lectuur beschikbaar zijn.

“Ik heb altijd met veel plezier ook letterkunde gelezen, met altijd wel een bijzondere taalkundige belangstelling voor de manier waarop een gedachte precies uitgedrukt wordt.”

Stel dat je geen professor Grieks zou geworden zijn, wat had je graag nog gestudeerd en/of als beroep gedaan?

Professor internationale betrekkingen zou ik wel zien zitten, of eigenlijk liever nog, raadgever achter de schermen van de machtigen der aarde op het gebied van buitenlandse politiek, zoals lieden als Henry Kissinger (voor hij minister werd) of Jacques Attali.

Je komt uit Antwerpen, werkt in Gent, woont in Rijsel en bezoekt regelmatig je (klein)kinderen in Parijs; hoewel de afstand tussen deze vier steden niet onnoemelijk groot is, kan ik me inbeelden dat er toch mentaliteitsverschillen zijn. Heb je ooit communicatie- of andere problemen gehad door op een bepaalde manier te communiceren/reageren die in de ene stad wel geaccepteerd is, maar in de andere niet zo?

Er zijn inderdaad wel verschillen, zelfs tussen nabije steden als Antwerpen en Gent. In Antwerpen doen wij graag aan zwanzen, wat in de bloedserieuze parking buiten Antwerpen vaak niet begrepen wordt en al gauw voor dikkenekkerij wordt versleten. Ook tussen Rijsel en Parijs zijn er serieuze verschillen. De – toegegeven, van een scherpe geest voorziene – Parijzenaar voelt zich natuurlijk mijlenver boven de rest van de (ook Franse) mensheid verheven, en laat niet na dat op al dan niet subtiele wijze te laten merken, terwijl je in Rijsel en elders “in de provincie” altijd op sympathie en spontane medewerking kunt rekenen. Je begroet ook mensen die je niet kent systematisch, wat in Vlaanderen maar zelden gebeurt. De verzuring van onze samenleving is helaas geen mythe…

Tussen de tijd dat jij student was en vandaag zijn er heel wat veranderingen doorgevoerd in academia en op de universiteit. Zijn er zaken die je opgevallen zijn?

Op het gevaar af om voor een voorspelbare laudator temporis acti door te gaan vind ik dat de ongehoorde bureaucratisering, rapportering, evaluering geen goede zaak is. Wat het onderzoek betreft is het natuurlijk zo dat er vroeger collega’s waren die zelden of nooit publiceerden, wat nu onmogelijk is geworden. Maar daar staat tegenover dat de inhoud van die publicaties van tegenwoordig soms niet om over naar huis te schrijven is, dat dikwijls ook het warm water opnieuw uitgevonden wordt (wie neemt nog de tijd om publicaties die niet op het net te vinden zijn op te zoeken en, vooral, grondig te lezen?) en vooral dat zoveel tijd moet gestoken worden in aanvragen en verantwoordingen. Het stroomlijnen van onderzoek leidt tot voorspelbare resultaten, en het kan niet de doelstelling van academisch onderzoek zijn om al op voorhand te weten tot welke bevindingen je zal komen. De verzuring, zowel bij het academisch personeel als bij de studenten, vermindert bovendien het arbeidsplezier…

En dan natuurlijk dé clichévraag die gesteld moet worden: wat ga je doen tijdens je pensioen? Lineair A ontcijferen? Hiërogliefen leren? Nog een Nieuwgrieks boek vertalen? De academische/intellectuele wereld achter jou laten en wijnboer worden in Zuid-Frankrijk, of schaapherder op Kreta?

Lineair-A, hiërogliefen, daar zeg je wat! Maar in eerste instantie wil ik mijn Arabisch en mijn Russisch, die ik decennialang schandelijk verwaarloosd heb, weer enigszins op peil brengen. En de bestudering van de enorme invloed die de Griekse woordenschat op de Latijnse en daarmee op de gehele Europese heeft uitgeoefend, via leenwoorden en leenvertalingen, staat nog altijd op mijn agenda. Mijn studenten Nieuwgrieks weten wel dat die invloed altijd een van mijn stokpaardjes is geweest. Het helpt ook zo enorm om woorden te onthouden als je die verbanden tussen de talen ziet… Voor wijnboer en schaapherder hebben ze veel betere mensen dan ik!

“De bestudering van de enorme invloed die de Griekse woordenschat op de Latijnse en daarmee op de gehele Europese heeft uitgeoefend, via leenwoorden en leenvertalingen, staat nog altijd op mijn agenda. Het helpt zo enorm om woorden te onthouden als je die verbanden tussen de talen ziet.”

Ten slotte nog een luchtig vraagje om af te sluiten: wat is je favoriete Griekse woord, gaande van Proto-Grieks tot Nieuwgrieks?

Er zijn heel wat leuke woorden in het Grieks, maar mijn favoriet moet dan toch σαρκασμοπιτυοκάμπτης “die tandenknarsend pijnbomen buigt” van Aristophanes zijn.

Medewerker van de maand (mei 2020): Berenice Verhelst

Onze #medewerkervandemaand is Berenice Verhelst. Niet alleen haar lessen gaf ze online sinds de lockdown, maar ook een superinteressante online lezing voor het Griekenlandcentrum en NKV! We spreken met haar over werken en leven in COVID-19 tijden. 

Dag Berenice. Je bent al jarenlang een rots in de branding bij onze Afdeling. Wat passioneert je het meeste in je job?

Het is vanuit mijn passie voor onderzoek dat ik in de eerste plaats aan een doctoraat ben begonnen, en die passie blijft een belangrijke drijfveer. Ik kan er helemaal in opgaan, zeker op die spannende momenten waarop je een nieuwe piste begint te verkennen. Wat ik op voorhand niet wist, is hoeveel energie ik zou halen uit heel andere aspecten van mijn job als onderzoeker, die de laatste jaren voor mij echt onontbeerlijk zijn geworden: de contacten met de studenten, het samenwerken met lokale en internationale collega’s aan gezamenlijke projecten, organisatorische engagementen en verantwoordelijkheden, … Dat is waar ik dag na dag voldoening uit haal.

Ik denk dat we voor veel aspecten van onze job (feedbackgesprekken met studenten, overlegmomenten met collega’s, publiekswerking met scholen…) naar een situatie zullen gaan waarin digitale communicatie als een evidente optie of waardig alternatief wordt gezien, niet langer iets waar alleen in grote nood beroep op wordt gedaan.

De lockdown heeft de levens van ons allemaal nogal in de war gebracht. Wat vond jij het meest uitdagende in deze periode? Heb je er ideeën uit gehaald die je ook naar de toekomst toe zou willen gebruiken?

Zonder enige twijfel was dat de combinatie van fulltime thuiswerk en de zorg voor onze tweejarige zoon. En gelukkig stond ik er niet alleen voor! Sinds vorige week (18 mei) gaat hij terug naar de kinderopvang, en het contrast is zo groot dat ik nu pas helemaal besef wat voor impact het gehad heeft. Ik denk dat ik al die tijd nooit echt de mentale rust gevonden heb om iets goed te kunnen doordenken. De digitale switch voor onderwijs, vergaderingen, en zelfs voor mijn in april geplande publiekslezing (voor het Griekenlandcentrum en NKV) die ik dan maar virtueel heb gegeven, bracht ook de nodige uitdagingen met zich mee. Nu zitten de lesweken er alweer op, en als ik terugblik, ben ik niet ontevreden over hoe het is verlopen. De twee cursussen die ik geef, vallen op vrijdag, en toevallig kwam de verdeling met mijn medelesgevers zo uit dat ik er op dag één van het digitale regime (vrijdag 13 maart) meteen voor twee dubbele lesblokken werd ingesmeten. Het resultaat was veel stress, wat gepruts en gesukkel maar toch ook en vooral een erg steile leercurve. Mijn volgende uitdaging op dat vlak wordt het digitale mondeling examen voor Oudgriekse Letterkunde I. Ik denk dat de noodzakelijke omschakeling er bij veel collega’s voor zorgt dat de koudwatervrees nu grotendeels is weggevallen. De digitale weg is bijzonder geschikt om afstanden te overbruggen, en dat is ook buiten lockdowntijden vaak een belemmering. Als onze collectieve ervaring met digitale tools ervoor kan helpen zorgen dat we in de toekomst meer en grotere afstanden overbruggen met minder vervuilende en tijdrovende verplaatsingen, is dat toch één grotendeels positief gevolg. En dan heb ik het zeker niet alleen of vooral over verre congresreizen (die zonder overdaad zeker opnieuw een meerwaarde zullen blijken). Ik denk dat we voor veel aspecten van onze job (feedbackgesprekken met studenten, overlegmomenten met collega’s, publiekswerking met scholen…) naar een situatie zullen gaan waarin digitale communicatie als een evidente optie of waardig alternatief wordt gezien, niet langer iets waar alleen in grote nood beroep op wordt gedaan.

De digitale weg is bijzonder geschikt om afstanden te overbruggen, en dat is ook buiten lockdowntijden vaak een belemmering. Als onze collectieve ervaring met digitale tools ervoor kan helpen zorgen dat we in de toekomst meer en grotere afstanden overbruggen met minder vervuilende en tijdrovende verplaatsingen, is dat toch één grotendeels positief gevolg.

Onderzoek tijdens lockdown, dat is geen sinecure. Maar onze hersenen blijven uiteraard verderweven… Wat is je onderzoeksfocus voor het ogenblik?

Oeps, … welk onderzoek? Naast mijn onderwijsopdracht, die een grotere hap uit mijn tijd heeft genomen dan gewoonlijk, ben ik vooral bezig met twee congresbundels, die in verschillende fasen van het publicatieproces zitten. Ook dat valt onder de noemer onderzoek, al komt er weinig spannend spit- en speurwerk bij kijken op dit moment. De lezing die ik in april gegeven heb en het artikel dat ik deze maand met een collega heb ingediend lagen dan weer sterk in het verlengde van mijn onderwijs (met name van de cursus “Vertaaltheorie en –praktijk: de klassieken”) in plaats van mijn persoonlijk onderzoek. En dan is er nog een internationale projectaanvraag in de maak. Ik hoop daarnaast de komende twee maanden ook nog wat tijd te vinden voor nieuw onderzoek, en dan zou dat moeten gaan over de representatie van emoties in een laat-antieke proza-beschrijving van een schilderij van Phaedra, Theseus en Hippolytus door een zekere Procopius van Gaza. En ik had eigenlijk graag ook nog wat verder gespit in de neo-hellenistische poëzie van de Veurns-Leidse humanist Fransiscus Nansius, op wie ik kort voor de lockdown ben gestoten. Hij bestudeerde de poëzie van Nonnus, maar produceerde ook gelegenheidspoëzie in dezelfde stijl. Maar ik vrees of dat er nog van zal komen voor ik in moederschapsrust ga…

Een moeilijke vraag: met welke figuur uit de oudheid zou jij het liefste je lockdown doorgebracht hebben? Historisch of mythisch, je hebt carte blanche!

Dat is inderdaad geen gemakkelijke. Ik mis het gedeelde bureau met mijn blandijncollega’s, dus kies ik me een uitgelezen bureaugenote: keizerin Eudocia. Ik ben al een tijdje gefascineerd door de centotechiek: het door knip- en plakwerk combineren van citaten, uit Homerus bijvoorbeeld, om een geheel nieuw verhaal mee te vertellen. Dat lijkt me aartsmoeilijk, maar tegelijk een vorm van mentale puzzel die me in tijden van concentratiemoeilijkheden des te meer aanspreekt. En is het toevallig – in de mannenwereld die de oudheid is – dat we het genre van de cento vooral kennen door het werk van twee prominente vrouwen, Eudocia en (aan Latijnse kant) Proba? Dat zouden interessante pauzebabbels worden. Alleen te hopen dat ze niet te veel luidop praat bij het werken.

Superleuke keuze, Berenice! Doet ons dromen van pauzebabbels in post-COVID tijden… 

Medewerker van de maand (maart 2020): Claire Jackson

Our #employeeofthemonth #medewerkervandemaand is Claire Jackson, who recently started working for Professor Koen De Temmerman’s ERC project.

Hi Claire! You just started a postdoctoral fellowship in our Section as part of Professor Koen De Temmerman’s Novel Echoes project. Welcome to Ghent! How are you finding Belgium and the UGent?

Thank you! I’m really delighted to be here – it’s a wonderful city and a fantastic university. I’ve been enjoying getting to know the city– I’ve spent quite a bit of time in Brussels because my brother has been living there for the last five years or so, but I didn’t know Ghent at all before I arrived. I like the city’s mixture of medieval and modern, and I’m really enjoying the sense of community here at UGent – I’m particularly grateful to all my colleagues who’ve helped me with my (very basic) Dutch and shown me the important things in life like where the best frituren are!

I’m looking forward to exploring the music scene in Belgium as well – I must confess that in recent years I’ve dropped the piano more in favour of bass guitar…but I’m sure it’ll all come back to me!

Your research so far has focused on concepts of fiction in the ancient novel. What is your plan for your three-year post in the Novel Echoes project?

My previous research has looked primarily at how ancient novelists conceptualise fiction in their works – in other words, I’ve been less interested in external theoretical models of fiction which might have shaped the ancient novel and more curious about how the novels explore ideas about fiction from within. I’m now looking at how these self-presentations of fiction impact the novel’s early reception history. There’s a real gulf between how novels are explicitly referred to in later texts and their wider unspoken influence, and what I’m researching is how we bridge that gap between the theory and the practice.

The early testimonia to the ancient novel which are often quite limited, even critical, in how they refer to the novels – for example, you have the late fourth/early-fifth century physician Theodorus Priscianus prescribing reading novels as a cure for impotence! – but then you see lots of texts, both religious and secular, make use of novelistic themes, motifs, and language in places you wouldn’t expect such erotic texts. What I’m researching at the moment is how the ninth-century patriarch Photius describes novelistic fiction in his Bibliotheca, building on some articles I’ve written about the fragmentary novelists Antonius Diogenes and Iamblichus, and from there I want to use this as a jumping-off point to explore novelistic fiction in tenth-century texts. What I’m hoping to do overall is to tease out the early reception history of the novel in a way that’s never really been done before and to develop a methodology which allows us to bring together these patchy testimonia and thematic intertextual references in a more holistic way.

You previously studied and worked at Cambridge. Can you tell us a little about your academic experience in the UK?

I stayed at Cambridge for a very long time, looking back at it… I did my Masters and PhD degrees at King’s College, and then I joined Sidney Sussex College in 2017 as a Language Teaching Associate and Director of Studies, which was conceptually a big move but in practice was only five minutes down the road! I got to work with some wonderful people during my PhD (I was supervised by Simon Goldhill and Richard Hunter, and Tim Whitmarsh was one of my examiners) and I really enjoyed the combination of teaching and research that I was able to do throughout my time there. For example, I worked alongside the Greek Imperial Epic project which ran from 2013-2017 for some time, and I organized a number of conferences in Cambridge on Heliodorus’ Aithiopika, epistolary fiction, and failure in classical literature (!). My post-PhD job involved a lot of language teaching in both Greek and Latin and I was also an academic tutor for the Classics students at my college, so I spent a lot of time interacting with students. It was hard to leave them, as I loved working with them and seeing them grow, but it’s been so nice to stay in touch and hear how they’re getting on.

What I’m hoping to do overall is to tease out the early reception history of the novel in a way that’s never really been done before and to develop a methodology which allows us to bring together patchy testimonia and thematic intertextual references in a more holistic way.

Is there anything you’re particularly looking forward to exploring in Belgium in the next few years? And are you going to play the piano for us at some point?

I definitely want to continue exploring Flanders – I’ve really fallen in love with the landscape here and I’m very much looking forward to getting to know the whole area better. I’m also very eager to learn Dutch properly – I’m really enjoying the little bits and pieces I’m picking up, and I’m excited to formally study it soon. I’m looking forward to exploring the music scene in Belgium as well – I must confess that in recent years I’ve dropped the piano more in favour of bass guitar…but I’m sure it’ll all come back to me!

Good luck with your work, and with the bass!

Medewerker van de maand (januari 2020): Sien De Groot

Interview by Maria Tomadaki:

I am pleased to have a  discussion with our current staff member of the month (#medewerkervandemaand), Sien De Groot, a beloved and very active member of our Greek section. Sien is currently preparing a PhD thesis on Byzantine book epigrams and in the past few years she has taken an active role in our section through various roles: as a teacher of ancient Greek, secretary of Het Griekenlandcentrum, coordinator and organizer of children’s workshops and other events (e.g. the Emeritus ceremony in honor of her supervisor, Marc De Groote), and most importantly as a devoted PhD student full of philological skills, energy and altruism.

Hello, Sien! Tell us about the topic of your PhD thesis and its relation to the Database of Byzantine Book Epigrams?

Hello, Maria! My PhD thesis deals with book epigrams, poems that were added to the main texts of Byzantine manuscripts. Over the last years, I have been hunting for such epigrams in manuscripts of Pseudo-Dionysius the Areopagite, a rather obscure and anonymous theological author from the early sixth century. I am now preparing an edition and analysis of these poems. As such, I have always (with much, much pleasure) been working on the Database of Byzantine Book Epigrams: I have added numerous transcriptions and other data to the corpus, and have enjoyed the time spent in our cozy team office, together with our very nice group of colleagues.

You have recently spent two months in Germany for a research stay at the University of Göttingen. Was this a fruitful and pleasant experience?

It certainly was! I am very thankful to the University of Göttingen and the Akademie der Wissenschaften for giving me this opportunity. I have experienced those two months as quite an intense period: I spent most of my time in the excellent theology library, writing as much as I could. The last two weeks of my stay, I consulted a large collection of microfilm images of manuscripts, which hugely enriched the material I had already assembled. I was also invited to a research seminar,  in which several doctoral students were reading and discussing theological passages by  Pseudo-Dionysius  – this is not an easy task: his writings are sometimes quite obscure and difficult to be understood, but the reading group managed to make the texts both understandable and pleasant. Moreover, I was very lucky to find a nice home shared with five housemates, who provided me with the necessary warmth and relaxation during evenings and  weekends. They even taught me how to bake sourdough bread, a skill that I was not expecting to take home from a research stay: I’m baking a fresh bread once a week now!

I am now preparing an edition and analysis of the epigrams in Pseudo-Dionysius the Areopagite. As such, I have always (with much, much pleasure) been working on the Database of Byzantine Book Epigrams: I have added numerous transcriptions and other data to the corpus, and have enjoyed the time spent in our cozy team office, together with our very nice group of colleagues.

As this is the final year of your PhD thesis, do you have any thoughts about future plans?

Right now, I am trying to focus on finishing my thesis and not to look too far ahead – first things first. There are several options: I could apply for a post-doc position, which would certainly be related to Byzantine manuscripts: they are my favorite topic! Other than that, I would also like to teach in a secondary school. I have always enjoyed offering our workshops to children, and I think that teaching Greek and / or Latin to young people is a very interesting and rewarding experience.

I was invited to a research seminar,  in which several doctoral students were reading and discussing theological passages by  Pseudo-Dionysius  – this is not an easy task: his writings are sometimes quite obscure and difficult to be understood, but the reading group managed to make the texts both understandable and pleasant.

Would you like to visit Greece one day and learn more about the Greek language and culture?

Of course my answer is ναι! I am slightly ashamed to admit it, but after having studied Greek for almost ten years now (I even took up some modern Greek), I have still not visited Greece. I would love to make a long road trip through Greece and its islands after finishing my PhD, to visit all of those famous and less-famous places, and experience the warmth of the Greek sun and the Greek people. And, of course, eat a lot of good Greek food… 😉

Medewerker van de maand (december): Benjamin De Vos

Onze #medewerkervandemaand december 2019 is Benjamin De Vos. Hoewel hij als assistent verbonden is aan de vakgroep Wijsbegeerte en Moraalwetenschap, is hij een graag geziene collega in onze afdeling! Waarover hij zijn doctoraat schrijft, welke taken hij zoal uitvoert als assistent, en wat hij met Grieks heeft, licht hij voor ons met plezier toe.

Dag Benjamin! We zijn blij jou als medewerker van de maand binnen de afdeling Grieks in de schijnwerpers te mogen zetten, want je bent tenslotte geaffilieerd lid van onze afdeling. Welke linken zijn er zijn tussen jou en het Grieks?

Al van in het middelbaar had ik een voorliefde voor Grieks en Latijn. Niet alleen voor de talen en de literatuur, maar ook voor al die culturele rijkdom die daarmee verbonden is: filosofie, astronomie, wiskunde, … Dit wou ik dan ook verder studeren aan de universiteit van Gent: Grieks-Latijn. Daar mochten we proeven van verschillende periodes, gaande van de archaïsche tijd tot de laatantieke tijd, en zelfs de hedendaagse tijd. Ik mocht verschillende facetten benaderen, waarvan twee toch heel belangrijk werden: klassieke religie en filosofie.

Mijn bachelorproef schreef ik over retoriek bij Paulus, in mijn masterproef ging ik dieper in op de enige, laatantieke christelijke roman die we nog hebben: de Pseudo-Clementijnen, waarvan we versies hebben in het Latijn, het Grieks en het Syrisch. Ik ging meer bepaald in op de structuur en inhoud van het loflied op overspel in dat werk. Na mijn Master, heb ik een post veroverd als assistent antieke wijsbegeerte, middeleeuwse wijsbegeerte en christendom bij Prof. Danny Praet en ben ik een onderzoeksproject begonnen over de filosofische en sofistische receptie in diezelfde christelijke roman, en voornamelijk de Griekse versie van die roman.

Al van in het middelbaar had ik een voorliefde voor Grieks en Latijn. Niet alleen voor de talen en de literatuur, maar ook voor al die culturele rijkdom die daarmee verbonden is: filosofie, astronomie, wiskunde, … Dit wou ik dan ook verder studeren aan de universiteit van Gent: Grieks-Latijn.

Je doctoraat heeft inderdaad ook alles met de klassieke oudheid te maken, en slaat tegelijk de brug met de filosofie. Wat onderzoek je precies?
Ik haalde al even aan dat ik inga op de filosofische en sofistische receptie in de Pseudo-Clementijnen. Dit werk gaat over een jongeman, Clemens van Rome, die teleurgesteld raakt in de filosofische scholen en de ‘waarheid’ die ze daar aanreiken. Hij wil op zoek naar ‘ware’ antwoorden op zijn vragen over het bestaan van de wereld (is die oneindig of niet?) en over de ziel (is die onsterfelijk of niet?). Zo komt hij terecht bij Petrus, de bekende apostel.

Bij deze apostel treedt hij in de leer op weg naar diens waarheid. Op die weg komen ze allerlei tegenstanders tegen, zoals Simon Magus (eveneens bekend uit het Nieuwe Testament), een grammaticus genaamd Apion, een Epicureëer genaamd Athenodorus en de astroloog Anoubion. Talrijke discussies komen aan bod, waarbij vooral intellectuele, sofistische en filosofische thema’s worden aangehaald, zoals de rol van de ziel, kennis, onwetendheid, de wereld, het kwaad, etc. Daar ga ik dan ook grotendeels op in: de receptie van Platoonse filosofie en Sofistiek in die vele discussies en de structuur van de Pseudo-Clementijnen.

Je bent ‘assistent’ bij de vakgroep Wijsbegeerte en moraalwetenschap. Wat houdt die functie precies in? Is dit heel anders dan een ‘traditioneel’ doctoraatstraject?
Ja, natuurlijk is dat heel anders. Als assistent werk je mee aan de cursussen en de examens. Voor 50% van mijn tijd geef ik gastcolleges en begeleid ik de verschillende taken van de studenten antieke wijsbegeerte en middeleeuwse wijsbegeerte. Ook de examens die er nu aankomen verbeter ik… een zeker gevoel van de Dark Side bekruipt me dan steeds. Daarnaast doe ik allerlei taken voor de vakgroep en de onderzoeksgroepen: naar Sid-Inbeurzen gaan, de praktische organisatie van CSCT-lezingenreeksen voor mijn rekening nemen, mede de toezichten van alle examens voor de wijsbegeerte bepalen en opvolgen (met mijn goede collega Sofie Vercoutere), enzovoort.

Voor de overige 50% werk ik dan aan mijn doctoraat en ga ik naar congressen. De job als assistent is zeker een meerwaarde in de zin dat je steeds gestimuleerd wordt, maar je moet kunnen afwisselen van de ene positie in de andere, en dat op dezelfde dag bijvoorbeeld. Dat vergt een zekere oefening, maar leert je ook constant bij de pinken te zijn.

De gebroeders van Eyck, en hun entourage die hen intellectueel ondersteunde, moeten dus een grondige notie gehad hebben van de klassieke cultuur en dat willen we dus ontleden binnen het kader – letterlijk dan – van het Lam Gods. 

Binnenkort organiseer je samen met je promotor prof. Danny Praet een studiedag over het Lam Gods. Dat klinkt erg interessant! Wat mogen we verwachten?
Dat zal onze derde studiedag zijn over het Lam Gods in teken van het Van Eyckjaar. We hebben verschillende doelpublieken voor ogen: gidsen, leerkrachten esthetica, Grieks, Latijn, godsdienst. De komende studiedag zal vooral ingaan op de klassieke thema’s in het Lam Gods. Daarmee bedoelen we letterlijk die thema’s die teruggaan op antieke tradities en waarmee de gebroeders Van Eyck bekend waren. Prof. Danny Praet gaat daarbij in op de deugdenleer van de antieke wijsbegeerte die structureel is verwerkt in de binnenpanelen van het Lam Gods. Ikzelf ga in op de antieke teksten op de buitenpanelen, vooral die van de twee middelste op de hoogste rij: de twee Sibyllen.

Als we de teksten bestuderen worden we teruggezogen naar de teksten van Vergilius en Augustinus. Hier zit ik dus even in het Latijnse register natuurlijk, maar dan nog. De gebroeders van Eyck, en hun entourage die hen intellectueel ondersteunde, moeten dus een grondige notie gehad hebben van de klassieke cultuur en dat willen we dus ontleden binnen het kader – letterlijk dan – van het Lam Gods.

Waar kunnen we je tegenkomen wanneer je niet bezig bent met het organiseren van studiedagen of het werken aan je doctoraat?
Mijn vrije tijd? Wat is dat weer? Die spendeer ik dan het liefst samen met mijn schat van een partner door een museum te bezoeken, een romantisch momentje te houden voor ons, of een terrasje te doen.

Medewerker van de maand (oktober 2019): David Cohen

Onze #medewerkervandemaand oktober is een recente gast in onze Afdeling. David Cohen werkt momenteel aan zijn doctoraat aan de Humboldt-Universiteit te Berlijn, maar neemt tijdelijk zijn intrek in Gent terwijl hij zijn co-promotor, Prof. dr. Koen De Temmerman, bezoekt. David vertelt ons over zijn onderzoek en internationale leven.

“In het leven van alledag heeft iedereen eigen gedachten en een eigen manier om de zielenroerselen talig tot uiting te brengen.

Voor personages op een podium geldt vaak hetzelfde.”

Dag David! Je bent momenteel aan je doctoraat aan het werken in de Humboldt-Universität in Berlijn, maar bent voor een maandje te gast in onze Afdeling. Welkom! Geniet je een beetje van je verblijf in Gent?

David: Een beetje? Ik geniet met volle teugen. Gent is een prachtige stad waarin het zelfs in de weekends onmogelijk is je te vervelen. Mijn co-promotor Koen De Temmerman heeft de nodige moeite gedaan om ervoor te zorgen dat ik me hier welkom voel. De collegae zijn even hartelijk als hulpvaardig, dragen bij aan een inspirerende werkomgeving en hebben me ook goede tips gegeven om in de weekends België beter te leren kennen.

Je doctoraat exploreert de tragedies van Aischylos, Sophokles en Euripides die de mythologische figuur van Electra in de hoofdrol zetten. Kan je ons een woordje uitleg geven over je onderzoek?

David: Ik onderzoek de manieren waarop het taalgebruik van tragische personages bijdraagt aan hun karakterisering. In het leven van alledag heeft iedereen eigen gedachten en een eigen manier om de zielenroerselen talig tot uiting te brengen. Voor personages op een podium geldt vaak hetzelfde, helemaal in hedendaags toneel. Lang heeft men echter gedacht dat de tragediedichters, die gebruik maakten van een stilistisch sterk geformaliseerd idioom, ofwel totaal geen, ofwel hooguit incidenteel belang stelden in de manier waarop hun personages spraken. Mijn doctoraat sluit aan bij een serie publicaties uit de afgelopen jaren waarin men heeft geprobeerd het tegendeel te laten zien: de experimenten met opvallend woordgebruik en verschillende stilistische registers die je bij Sophokles en Euripides ziet, vind je in meer en minder rudimentaire vorm ook al bij de late Aischylos.

In de drie stukken die ik onder de loep neem, Aischylos’ Dodenoffer en de Elektra’s van Sophokles en Euripides, speelt karakterisering door middel van intertekstualiteit bovendien een belangrijke rol. Sophokles en Euripides borduurden allebei voort op de erfenis van hun voorganger Aischylos op een manier die eerst zichtbaar wordt wanneer je let op de voorgeschiedenis van wat de personages zeggen.

Wanneer koningin Klytaimestra in Euripides’ Elektra haar Trojaanse slavinnen instrueert om haar te helpen van de wagen te stappen, krijgt dat pas betekenis als je ziet dat haar woorden exact dezelfde zijn als die van de Klytaimestra uit Aischylos’ Agamemnon, het stuk dat aan Dodenoffer voorafging. De vraag is vervolgens hoe je een dergelijke echo interpreteert en of Euripides ons met die overeenkomst in woordkeuze bij het duiden van zijn personages een bepaalde richting op probeert te stuwen.

“Iedere plek heeft een onuitwisbare indruk op me achtergelaten.”

Voor je verblijf in Berlijn studeerde je in Amsterdam. Hoe ervaar je de internationale academische wereld en het reizen tussen verschillende landen?

David: Iedere plek heeft een onuitwisbare indruk op me achtergelaten. Als student in Amsterdam genoot ik van het enthousiasme van mijn docenten en medestudenten, die geregeld de handen ineensloegen voor leesclubjes waarin ik de betovering van Homeros en Aischylos ervoer.

De masterstudie Klassieke Talen in Berlijn was heel anders van opzet: naast taal- en literatuurcolleges kregen we ook papyrus- en handschriftenkunde en praktische werkcolleges tekstkritiek. Studenten hadden meer vrijheid om invulling te geven aan hun eigen curriculum. Aan het eind van mijn masterstudie werden er aan de Berliner Graduiertenschule für Antike Studien zegge en schrijve eenentwintig doctoraatsbeurzen uitgeschreven, allemaal voor onderzoek naar de antieke wereld. Bovendien had men fondsen beschikbaar om gemotiveerde promovendi op uitwisseling naar het buitenland te sturen: ik ging vorig jaar twee maanden met een beurs van de BerGSAS naar Oxford om met een plaatselijke specialist aan mijn dissertatie te werken. Eenmaal in Oxford was ik onder de indruk van de aanwezigheid van zo veel geleerdheid op zo weinig vierkante kilometers, zowel wat de mensen als hun gedachten in boekvorm betrof. Ik had de kans om vele lieden uit mijn literatuurlijst in het echt te ontmoeten en genoot naast de uren in de Sackler en op het idyllische Port Meadow van werkgroepen dialectologie en receptie van de oudheid in Engelstalige poëzie.

Hier in Gent vindt men niet minder geleerdheid en is het leven van alledag eenvoudiger en aangenamer dan in Oxford. Het leven aan een Engels college is, net als het taalgebruik in een Oudgriekse tragedie, stilistisch sterk geformaliseerd. Als ik een dag in de onovertroffen Bodleian had gezeten om uitingen van tragische personages te interpreteren, viel het me weleens zwaar om datzelfde ook in de avonduren te moeten doen.

Wat Gent betreft: ik heb in de afgelopen weken met veel van mijn Nederlandse kameraden de vraag besproken waarom we eigenlijk niet hier zijn gaan studeren. Op die confronterende vraag hebben we geen goed antwoord gevonden. Ik kan het niets anders formuleren dan dat jullie het verdomd goed voor elkaar hebben.

Het leven eindigt natuurlijk niet met een doctoraat. Wat zijn je plannen voor de toekomst? Kom je nog terug naar Gent?

David: Ik zou graag deo volente in het voorjaar nog eens naar Gent terugkomen om wat mijn doctoraat betreft de puntjes op de jota te zetten. Na het inleveren van mijn proefschrift in de zomer van 2020 wil ik terug in Nederland beginnen aan een lerarenopleiding om na twee jaar bevoegd te zijn als docent Duits, Latijn en Oudgrieks. Idealiter vind ik met die lesbevoegdheid een deeltijdbaan aan een school in Leiden, het Gent van het noorden, om me in de resterende weekdagen en de schoolvakanties te wijden aan vertalingen van poëzie – ik werk momenteel onder andere aan een Nederlandse vertaling van Nikos Kazantzakis’ epos De Odyssee: een modern vervolg. In die hoedanigheid van vertaler zal ik geregeld in Gent te vinden zijn, want in inspirerender steden was ik zelden. Als ik het zo mag uitdrukken: de boel marcheert hier wonderwel.

Je bent altijd welkom!

Medewerker van de maand (september 2019): Marc De Groote

Onze #medewerkervandemaand september is wel heel bijzonder: Prof. dr. Marc De Groote trekt na vele jaren als bejubeld lesgever en onderzoeker de deuren van de Blandijn achter zich dicht. Op 26 september vierden we Marcs carrière met een afscheidsfeest; vandaag staat hij ons nog eens te woord.

“Een Festschrift ontvangen doet zo’n plezier en geeft zo’n warm gevoel, dat ik het eigenlijk niet in woorden kan uitdrukken!”

Beste Marc,  hopelijk ben je al wat bekomen van het feest. Daar kreeg je ook het eerste exemplaar van het aan jouw gewijde huldeboek ‘Parels in schrift’ overhandigd. Hoe heb je dat ervaren?

Marc:  Zoals velen zich wellicht zullen herinneren, heb ik de term “Festschrift” destijds wel vaker in mijn cursus “Encyclopedie” uitgelegd. Wat ik me daarbij vroeger nooit heb afgevraagd, is wat het met een mens doet als hij zo’n Festschrift krijgt aangeboden. Nu weet ik het: het is niet alleen een grote eer, maar het doet zo’n plezier en geeft zo’n warm gevoel, dat ik het eigenlijk niet in woorden kan uitdrukken! Ik ben de uitgevers en de diverse auteurs uiterst erkentelijk.

Op het feest bleek keer op keer dat alle oud-studenten véél warme herinneringen hebben aan onvergetelijke momenten bij jou in de les. Is dat ook voor jou, als lesgever, zo? Wat maakte voor jou een les memorabel?

Marc: Ik heb het grote geluk gehad als leerling en later als student les te mogen krijgen van enkele bevlogen en enthousiaste leraars/professoren. Zij hadden naast een gedegen vakkennis allen één eigenschap gemeen: gevoel voor humor (tongue in cheek).  Ik heb tijdens mijn loopbaan, zowel als leraar in het secundair onderwijs, als later als prof, geprobeerd mijn grote voorbeelden na te volgen. Een les was voor mij slechts geslaagd als ik de leerstof had kunnen overbrengen zoals ik het vooraf in gedachten had, én als ik mijn publiek minstens eenmaal aan het lachen had gekregen.

“Een les was voor mij slechts geslaagd, als ik mijn publiek minstens eenmaal aan het lachen had gekregen.”

Je takenpakket als lesgever was zeer veelzijdig: je doceerde niet alleen Oudgriekse taalverwerving en taalkunde, maar ook Encyclopedie van de klassieke talen, Griekse paleografie, papyrologie én epigrafie. Daarnaast ben je ook een gedreven onderzoeker. Waarop lag de focus in je onderzoek?

Marc: Het kritisch uitgeven van Griekse teksten stond in mijn werk centraal. Mijn voornaamste edities waren die van de “Commentaar op de Apocalyps” door Oikoumenios (Peeters 1999), de “Homilie over de verheffing van het Kruis” door Andreas van Kreta (Harvard Theol. Rev. 2007) en de collectie van 145 “Diverse verzen” van Christophoros Mitylenaios (Corpus Christianorum, Brepols 2012). In de rand hiervan deed ik ook onderzoek naar metriek en accentuatie, maar occasioneel kwamen ook themata uit de papyrologie en Griekse epigrafie aan bod. Op didactisch vlak vermeld ik graag mijn “Syntaxis van het Oudgrieks” (Academia Press 2008), die helaas niet meer in de handel te verkrijgen is. Zelf heb ik voor geïnteresseerden echter nog exemplaren in voorraad!

Heb je al plannen gemaakt om de pas verworven vrije tijd in te vullen?

Marc: Ik neem mij voor om, na een leven dat grotendeels onder een bureaulamp en voor een leesapparaat werd doorgebracht, vanaf nu veel in de natuur te zijn (fietsen en stappen). En te lezen, als dat lukt. Geschiedenis boeit me enorm.

Daar wensen wij je alvast veel geluk en genot bij. Beste wensen en bedankt voor de vele jaren!