Het mimespel en de pantomime, twee populaire theatervormen in het Romeinse keizerrijk, leefden verder tijdens de Vroegbyzantijnse periode. Ze bleven populair tot wel zeker de zesde eeuw o.t. Tegelijk was dit allerminst naar de zin van christelijke leiders, die het heidense spel verachtten en gelovigen krachtig opriepen het theater vooral te vermijden. De Byzantijnen ontwikkelden opvallend genoeg nooit een eigen theatervorm. Wanneer de antieke spelen dan toch eindelijk een stille dood stierven, is het enkele eeuwen wachten tot ze een Christelijke opvolger zouden kennen, en die kwam er enkel in het Westen. Als je de massa’s wil bezweren en ze tegelijk van ondeugdelijk vertier wil zien af te houden, waarom dan geen religieus en stichtelijk alternatief aanbieden? Het probleem ging echter verder dan de inhoud van de stukken alleen; theater zélf, als kunst- en representatievorm, werd als gevaarlijk en zelfs duivels beschouwd. Maar waarom dan? En kenden de Byzantijnen dan geen enkele vorm van publiek spektakel?
Over de spreker
Julie Van Pelt studeerde Taal- en Letterkunde Latijn-Grieks (2010-2013) en Vergelijkende Moderne Letterkunde (2013-2014) aan de Universiteit Gent. Ze behaalde een doctoraatstitel in Griekse Letterkunde and de Universiteit Gent in 2019 met een dissertatie over de representatie van vermomming en performance in Byzantijnse heiligenlevens. In haar huidig onderzoek bestudeert ze de figuur van de magiër en de literaire representatie van mirakel en magie in Griekse hagiografie.
Praktische informatie
Wanneer? woensdag 20 april 2022, om 20u
Waar? Auditorium 1 Jan Broeckx (Blandijnberg 2, 9000 Gent)
Prijs? gratis voor leden van het Griekenlandcentrum, UGent studenten en scholieren. Anderen betalen €5.
Het theater is het bekendste, opvallendste en meest omstreden monument van Thorikos. Zijn eigenaardige, ellipsvormige vorm – soms primitief, archaïsch of gewoon onregelmatig genoemd – heeft zowel de plaatselijke bevolking als reizigers sinds de 18de eeuw gefascineerd. Het archeologische onderzoek van het theater begon in 1886 door de American School of Classical Studies at Athens. In 1963 en 1965 werd het onderzoek hervat door het Comité voor Belgische Opgravingen in Griekenland, en in 2011-12 door de Griekse Archeologische Dienst. Tijdens deze drie campagnes werd het theater gedeeltelijk opgegraven en werden de indrukwekkende steunmuren die het zijn eigenaardige geven blootgelegd. Het zitgedeelte (koilon) is in tweeën gedeeld; een kleine tempel van Dionysos en een altaar flankeren de langwerpige orchestra, evenals een raadselachtige kamer met een bank in het oosten en een langwerpige hal in het westen. Deze structuren werden opgericht in een vroegere marmer- en kalksteengroeve tussen twee oudere mijningangen en een begraafplaats uit de 6e-4e eeuw v.o.t..
Het Belgische onderzoek werd preliminair gepubliceerd, waarbij mede op basis van 35 scherven het theater de reputatie kreeg het vroegste theater in de Griekse wereld te zijn. Sinds zeven jaar bestudeert een team o.l.v. Andreas Kapetanios en Roald Docter de oude en nieuwe vondsten met het oog op een afsluitende publicatie. In deze lezing wordt de stand van zaken van dit onderzoek gepresenteerd.
De oudste theaters, vooral die van de landelijke chóra, waren sinds de democratische hervormingen Kleisthenes aan het einde van de 6de eeuw onlosmakelijk verbonden met de sociopolitieke organisatie van Athene, gestructureerd volgens het zogenaamde demes-en-trittyes-systeem. De theaters boden niet alleen onderdak aan dráma’s in het kader van festivals ter ere van Dionysos, maar fungeerden ook als ontmoetingsplaatsen voor mannen die hun plichten tegenover de Atheense democratische instellingen vervulden: debatten, arbitrage en benoemingen in de raad (boule) in Athene, en andere functies van de polis.
Over de spreker
Roald Docter is hoogleraar Archeologie en Kunstgeschiedenis van de Klassiek Griekse Oudheid aan de Universiteit Gent. Hij is (co-)directeur van archeologische veldwerkprojecten in o.a. Thorikos, Carthago en Malta.
Praktische informatie
Wanneer? woensdag 23 maart 2022, om 20u
Waar? Auditorium 1 Jan Broeckx (Blandijnberg 2, 9000 Gent)
Prijs? gratis voor leden van het Griekenlandcentrum, studenten en scholieren. Anderen betalen €5.
Op woensdag 16 februari brengt theatermaker en actrice Khadija El Kharraz Alami Nu ben ik Medeaop de planken; een al meermaals in de prijzen gevallen theaterstuk waarin culturele spanningen op de voorgrond worden geplaatst aan de hand van Euripides’ Medea. Neem zeker en vast een kijkje op de site van NTGent voor een inleiding, biografie en trailer. De opvoering gaat door in de NTGent Schouwburg (Sint-Baafsplein), is Nederlands gesproken en vangt aan om 20:00. Na de voorstelling wordt een nabespreking voorzien.
We hebben voor jullie niet minder dan 30 tickets ter beschikking, voor een gereduceerde prijs van 13 euro. Geïnteresseerd? Stuur vóór 10 februari een mailtje naar griekenlandcentrum@ugent.be en schrijf het bedrag (€13) over op het rekeningnummer BE69 8803 2505 0178 (bevestiging volgt nadien).
Deze lezing, die oorspronkelijk zou doorgaan op woensdag 15 december 2021, is uitgesteld naar het tweede semester en zal plaatsvinden op woensdag 15 juni 2022.
Voorsmaakje
In de meer dan 450 jaar van de Venetiaanse overheersing van Kreta (1211-1669), de belangrijkste koloniale Ventiaanse bezitting in het Oosten, vond er op Kreta, onder invloed van het Westen, een belangrijke opbloei van handel en economie plaats, een opbloei die samenging met de opkomst van de Kretenzische stadscultuur. Binnen deze ontwikkelingen namen de Venetianen geleidelijk de Griekse taal over, maar zorgden tevens voor een toenemende invloed van de westerse cultuur, een invloed die zich ondermeer manifesteerde in de beeldende kunst, de architectuur, de muziek en de literatuur.
Yorgos Patsalakis en Anna Koutsaftiki als Filógonos en Erofili, Kreta 2005
Tot de tweede helft van de zestiende eeuw vertoonde de Kretenzische literatuur , naast zekere invloeden van de Italiaanse Renaissance, vooral invloeden van de Byzantijnse erfenis en van de westerse middeleeuwen. Pas na ca. 1570 zou de invloed van de westerse Renaissance van beslissende betekenis zijn voor het karakter van de Kretenzische literatuur. De periode 1570-1669 is bekend geworden als de Kretenzische Renaissance. Tijdens deze periode is een aantal literair zeer hoogstaande werken geschreven, met als coryfeeën de theaterwerken en de berijmde romance Erotókritos, waarvan overigens ook delen als een theaterstuk zijn opgevoerd. Deze werken zijn alle in een veredeld Kretenzisch dialect geschreven.
Uit het Kretenzische Renaissance-theater zijn een drietal tragedies en komedies bewaard gebleven, alsmede een religieus drama en een herdersspel. De Erofili is het bekendste en meest bestudeerde werk uit het Kretenzische theater en misschien wel de mooiste tragedie uit de Nieuwgriekse literatuur. Het werd waarschijnlijk geschreven tussen 1595 en 1600 door de Rethymnioot Yeoryos Chortatsis, de belangrijkste dramaschrijver uit de Kretenzische Renaissance en volgens de grote dichter Kostís Palamás ‘de vader van het moderne Griekse theater’. De eerste publicatie van het werk is in 1637, te Venetië.
De belangrijkste bron van het stuk is de Italiaanse tragedie Orbecche (1541) van Giambattista Giraldi Cinzio, maar de Kretenzische ‘bewerking’ overtreft in alle opzichten het oppervlakkige en uiterst bloedige origineel. De Erofili wordt nog steeds regelmatig opgevoerd en leeft ook voort in de volkscultuur en in (moderne) composities.
De lezing beoogt een eerste algemene kennismaking met het werk te bieden, waarbij een zekere nadruk op de karakterisering van de personages zal komen te liggen. Ook zullen we twee fragmenten uit monologen van de tragedie beluisteren, die door twee moderne componisten op muziek zijn gezet.
Over de spreker
Arthur Bot is vertaler en docent/onderzoeker bij de opleiding Nieuwgriekse taal en cultuur en byzantinologie van de Universiteit van Amsterdam, waar hij Nieuwgriekse taal en literatuur doceert, alsmede Byzantijnse geschiedenis. Aan de UvA heeft hij ook Italiaanse taalverwerving en moderne Nederlandse letterkunde gedoceerd. Gedurende enkele jaren heeft hij tevens Nieuwgriekse taal- en letterkunde en byzantinologie gedoceerd aan de Rijksuniversiteit Groningen en Latijn en klassiek Grieks aan Nederlandse middelbare scholen. Van zijn hand zijn diverse artikelen en wetenschappelijke publicaties op het gebied van de vroege en moderne Nieuwgriekse literatuur. Onder zijn vertalingen is de omvangrijke bloemlezing met 50 moderne Griekse verhalen, die hij samen met Anna Dekker samenstelde en vertaalde (Moderne Griekse vertellingen, Dordrecht, Liverse 2013). Onlangs heeft hij, samen met Irini Papakyriakou, een tweetalige bloemlezing samengesteld met moderne Nederlandse poëzie (Bloemlezing van jonge Nederlandse dichters, Athene, Bakchikon 2021). Arthur is sinds maart 2022 voorzitter van het Nederlands Genootschap voor Nieuwgriekse Studies (NGNS).
Praktische informatie
Wanneer? woensdag 15 juni 2022, om 20u
Waar? Auditorium 1 Jan Broeckx (Blandijnberg 2, 9000 Gent)
Prijs? gratis voor leden van het Griekenlandcentrum, UGent studenten en scholieren. Anderen betalen €5.
OPGELET! Door omstandigheden zal deze lezing jammer genoeg niet kunnen plaatsvinden.
Word je van tragedie een (beter) mens? Is het tragisch als je favoriete ploeg verliest in de laatste minuut? Kan Antigone het klimaat redden? Valt er iets te leren of te louteren? Waarom spreekt een prof Griekse literatuur liever niet over “de Griekse tragedie” maar wel over enkele stukken van Sophokles en Euripides?
In feite zal hij wel wat algemeenheden in herinnering brengen over dat vreemde fenomeen van het Atheense theater, om dan te vertellen wat hem blijft aanspreken in vier stukken uit de latere vijfde eeuw: Ajax, Medea, Asielzoeksters, Philoktetes.
Over de spreker
Kristoffel Demoen is docent Griekse literatuur aan de universiteit Gent. Zijn onderzoek concentreert zich op de doorwerking en vertaling van klassieke teksten, thema’s en vormen in de latere Griekse en Westerse literatuurgeschiedenis.
Nabespreking door Giorgos Arvanitis – DOP (Director of Photography)
Voor wie nog nooit een film van Angelopoulos zag, is dit meesterwerk misschien wel de beste introductie. Deze magnifieke film over de zoektocht van twee kinderen – een meisje van twaalf en haar broertje van zes – naar de vader die ze nooit hebben gekend of die misschien niet eens bestaat, is ook emotioneel zijn meest directe werk. In strak gecomponeerde beelden toont hij hun diverse ontmoetingen, inwijdingen, beproevingen. Soms vluchtig, soms traumatiserend en culminerend in een finale van een adembenemende, droevige schoonheid. Vanuit een eenvoudig gegeven schept Angelopoulos de ene onvergetelijke scène na de andere. Hij toont ons de wereld in al zijn verbazende schoonheid (zoals de plotse sneeuwval die de personages doet bevriezen) en angstaanjagende afschuw (de verkrachting, buiten beeld, van het meisje door een vrachtrijder is een van de sterkste scènes die je ooit gezien zal hebben).
Geïnteresseerd? Stuur vóór 26 september een mailtje naar griekenlandcentrum@ugent.be met je naam en de film(s) die je graag wil meekijken, en schrijf het bedrag (€7,5, of €15 voor twee) over op het rekeningnummer BE69 8803 2505 0178 (bevestiging volgt nadien).
Inleiding door Patrick Duynslaegher – start 19:45, duur: 30 minuten
In dit bijna vier uur durend meesterwerk dramatiseert Angelopoulos in magistrale tableaus de historische omwentelingen in Griekenland van 1936 tot 1952. Een toneelgezelschap trekt met hetzelfde stuk van dorp tot dorp. Telkens weer wordt de voorstelling onderbroken door politieke evenementen, zoals de bezetting door de nazi’s en de naoorlogse strijd tussen fascisten en communisten. Het groepsportret krijgt een extra dimensie door de verwijzingen naar personages uit de Griekse tragedies. De onderlinge intriges leiden onbewust tot het naspelen van de tragedie van Elektra en Orestes. Angelopoulos introduceert hier zijn geheel eigen stijl, gedomineerd door lange plan-séquences waarmee hij door zijn hypnotiserende mise-en-scène binnen het beeld een verbluffende dynamiek creëert tussen individu en massa. Een van de meesterwerken uit de modernistische cinema van de jaren ‘70.
Geïnteresseerd? Stuur vóór 26 september een mailtje naar griekenlandcentrum@ugent.be met je naam en de film(s) die je graag wil meekijken, en schrijf het bedrag (€7,5, of €15 voor twee) over op het rekeningnummer BE69 8803 2505 0178 (bevestiging volgt nadien).
Julián Bértola studied classical literature at the University of Buenos Aires. In 2016, he followed the Byzantine Greek Summer School at Dumbarton Oaks Research Library and Collection and in 2017 he moved to Belgium to do a PhD at Ghent University as part of the Database of Byzantine Book Epigrams (www.dbbe.ugent.be). In 2021, he completed his doctoral dissertation “Using Poetry to Read the Past: Unedited Byzantine Verse Scholia on Historians in the Margins of Medieval Manuscripts”. He is now a Postdoctoral fellow of the Research Foundation – Flanders (FWO) at Ghent University with the project “Byzantine scholia on historians and the literature of marginalia: reading and writing practices in the margins of medieval Greek manuscripts”.
Abstract
In this presentation I will investigate how other book epigrams can contribute to the study of verse scholia, my main research interest. Verse scholia constitute a special type of book epigrams since they comment on particular passages of the main text next to which they are copied. During my work with unedited cycles of verse scholia on historians, the co-occurrence in the manuscripts of a more common type of book epigrams, namely colophons, has proven to be of great help to better understand the context in which the verse scholia were produced.
My first case study is a long poem in hexameters (https://www.dbbe.ugent.be/types/6177), a scribal epigram that dedicates the volume to a patron of high social rank. I will introduce the verse scholia that occur together with this book epigram in two manuscripts of Herodotus from the 15th century. The court circulation of the exemplar from which our manuscripts derive could account for a certain didactic and gnomic tone of the verse scholia. The second case study is a shorter dodecasyllabic epigram at the end of the Vindobonensis Hist. gr. 53, a famous manuscript of Niketas Choniates (https://www.dbbe.ugent.be/types/33795). The colophon attests to the restoration of the manuscript on behalf of the bishop of Ainos. This information supports the evidence from the verse scholia copied in this manuscript that largely reproduce the wording of the chronicle in verse by Ephraim of Ainos. The manuscript and possibly its model may have been in Ainos where Ephraim composed the verse scholia. To conclude, I will present some limit cases: a poem in f. 168v of Vat. gr. 163 (Niketas Choniates) and https://www.dbbe.ugent.be/occurrences/17771 (John Zonaras). These are book epigrams that refer to specific passages, but do not correspond in full to the typology of verse scholia because of their position in the manuscript, their layout and their content.
Practical information
Date & time: Tuesday 14 December 2021, 4:00pm (CET)
No registration required. The lecture is freely accessible via Zoom. The link will be available soon.
N.B.: A Zoom account is required to join this meeting. Please make sure to be logged in, using your Zoom credentials.
Ottavia Mazzon is currently Frances A. Yates Long-term Fellow at the Warburg Institute and a post-doc researcher at the University of Padua. Her research interests lie at the intersection of classical philology and book history, focusing on the readership and material reception of ancient Greek literature in Byzantium and in Renaissance Europe. Her first monograph, Leggere, selezionare e raccogliere excerpta nella prima età paleologa. La silloge conservata nel codice greco Neap. II C 32, is forthcoming with Edizioni dell’Orso (Hellenica, 99).
Abstract
Byzantine intellectuals frequently put together collections of excerpts aiming to preserve the most interesting passages they encountered while reading. Many of these have survived, especially from the Palaeologan period, allowing us to explore Byzantine scholars’ reading interests and to understand how they used their books. Whenever they read, Byzantine scholars did not exclusively focus on literary works they were studying. When consulting a codex, they also took notice of the paratexts and sometimes ended up transcribing them alongside the quotations they had selected from the main text; the paratexts thus became an integral part of excerpt collections.
The objective of my paper is to show how the DBBE is an effective tool for the identification of paratextual elements within an excerpt-collection and facilitates the reconstruction of the material characteristics of the manuscripts read by the excerptor(s), going so far as providing essential information for the recognition of the exemplar employed. I will do so by presenting examples from two excerpt collections from the early Palaeologan period which I have chosen as a case-study: the Rhodoniai of Makarios Chrysokephalos, preserved in MS Marc. gr. Z. 452 (coll. 796), and the excerpt-collection transmitted by MS Napoli, Biblioteca Nazionale, II C 32. The book epigrams preserved in the latter are partially known; Neap. II C 32 contains a poem summarizing the content of the Iliad, which accompanies the hypotheseis to each book (ff. 366r-371v).
Practical information
Date & time: Tuesday 16 November 2021, 4:00pm (CET)
Dr Simon Zuenelli is Assistant Professor at Innsbruck University (Austria) and chief editor of the review journal Anzeiger für die Altertumswissenschaft. His research focuses on post-classical Greek poetry. He authored several contributions on Nonnus’ Dionysiaca and is currently preparing a monograph on the ancient Greek book epigram.
Abstract
As the DBBE effectively shows, the production of book epigrams was indeed a popular phenomenon in the Byzantine Middle Ages. Yet, the book epigram is not a Byzantine invention, but rooted in a long tradition going as far back as the Hellenistic period. The history of the ancient book epigram is currently being investigated in the project “The Ancient Greek Book Epigram”, funded by the Austrian Science Fund and carried out at Innsbruck University. In my paper, I would like to present some of the results gained so far, which can lead to a better understanding of the evolution of the Byzantine book epigram tradition. Accordingly, my paper will highlight the continuity of book epigram production between Antiquity and the Middle Ages.
More specifically, after a brief general introduction to the ancient Greek book epigram, the paper will firstly deal with the continuity on a generic level. To this end, the type of the ancient “scribe-related epigram”, where the aspect of continuity is particularly visible, will be discussed. Secondly, two important issues related to the practice of Byzantine book epigram production will be addressed, namely the question of visual presentation and that of textual fluidity (or textual recycling). Taking P.Lond.Lit 11 as an example, several striking parallels with the ancient book epigram tradition in regards of both phenomena will be presented. This analysis will eventually lead to the general discussion of how to determine the “origin” of single Byzantine book epigrams.
Practical information
Date & time: Tuesday 19 October 2021, 4:00pm (CET)